both

Warme dagen aan het water. Vrolijke zeilen, en dito watersporters. Ik vind kijken aangenaam, ik vind kijken naar watersport heel aangenaam. Maar ik voel op generlei wijze enige vorm van aandrang om dan ook maar iets te gaan doen met een zeil.

In 1987 onverwacht veel pret met vrienden van vrienden en zes gehuurde bé-emmetjes op de Fluessen in Friesland. Dat als iemand ‘rechtsaf’ riep, de helmstok met een zwaai naar links moest, vertelde niemand mij, kloink. Afstappen als de boot echt pas naast de kant ligt, plons. Het dronken fierljeppen met de houten boom werd gestraft, daar ging de borg, ketscheng. Ik was wel de enige met een heus zeemanspetje, overgehouden aan…tja waaraan?

Mijn eerste vriendje kocht na een wereldreis zijn droombootje, Kingfisher. En ik mocht mee. Ik vond het eng. Ik vond het eng als we schuin gingen. Ik vond het eng als we overstag gingen. Ik vond het eng als we gingen gijpen. Of ik stond half zittend krampachtig op de boeg, ruziënd door wind en water met de touwen omdat het fokje naar beneden moest, óf ik stond met angstzweet wijdbeens, half gebogen in het knusse roefje boven het onrustig flakkerende pitje van het minifornuisje te goochelen met heet water voor koffie.

Binnenvaartschepen leken ons te vermorzelen bij de Volkerak sluizen. Ik bleef bang. Gewoon bang. Dat we zouden kapseizen. Verlangend keek ik naar de oever, altijd ver weg. Bij windkracht 3 begon ik al over het reven van de zeilen, want minder wind is minder schuin. Het reddingsvest was voor een flinke peuter, een marifoon was er niet, geen mobieltjes en zeker geen internet. Dat was dan wel weer rustig.

De avonden in de veilige haventjes maakten de dag weer goed. Ik paste dan wel niet qua outfit bij de bebootschoende zeilmensen, maar wij hadden wel de grote binnenwateren getrotseerd. Met een boek op het smalle bankje in de kuip, de zeilen mooi opgebonden, was ik dan eindelijk rustig en gelukkig. Het bedje was gesplitst, het mastje fysiek tussen ons in.

Het Waarscheepje bleef, ik vertrok. Er volgde later nog een bijna-doodervaring met een select groepje vrienden-interrailers aan boord bij ene Ton, die illegaal charterde op Kreta, daarna was ik klaar met het zeilen.

Bij aankoop van ons huis aan de IJssel zat een botenkraan met daaraan een Duitse Schottel. Loodzwaar en onzinkbaar vanwege de luchtkisten, dat sprak mij wel aan. Het bootje werd opgeknapt bij de buren van de scheepswerf. Gaten werden gelast, echt teer ging uit een illegale emmer tegen de onderkant. Ik koos voor mooi grijsblauw en een Hollandse vlag met stok. Het laatste geld werd een klein motortje, het zou helemaal goed komen. Bij het starten trok je als het meezat alleen een schouder uit de kom. Na 50 meter hield ‘ie er steevast mee op. Terrasbezoekers van café het Ankertje joelden ons na, wij roeiden met de riemen terug.

Op een zaterdag in het vroege voorjaar kwam H ophet lumibeuze idee van samen op stap met de boot. Naar Rotterdam. Ik schoof mijn angst terzijde en vulde een koeltas met bier en rosé. Strak stuurboord pruttelden wij in ons bakje richting de stad. Als we hier zouden vergaan, zou ik in vijf slagen op de kant zijn. ik genoot voorzichtig voorop in een wapperend jurkje. We haalden de Van Brienenoord, we haalden de Maas. we haalden zelfs de Oude Haven, ramden aldaar pardoes een historisch zeilschip en keerden aan het eind van de middag opgetogen terug.

Ter hoogte van het Boerengat, waarachter stamcafé De Pui keken wij elkaar aan, ‘Nou, eentje dan, we zijner nu toch.’ Het komt erop neer dat wij rond tien uur ’s avonds ons onder de steiger geparkeerde, want geen slot en dieven op de loer, schotteltje wilden terug varen. Het was inmiddels hoog water. Het onzinkbare bakje zat muurvast geklemd, haaks onder het steigertje.

Met water in de kuip en zware jongens uit de Pui zouden we door gewicht en met één sprong, de druk verlichten om zo het bootje onder de steiger vandaan te laten ontsnappen. Ik had mijzelf eenzaam en heel slim op het achterdekje gepositioneerd voor deze finale klap. Na één-twee-drie, schoot het bootje rechtuit en werd ik in mijn allereerste salto achterover het lel in gelanceerd. De thuisreis moest nat, zonder licht en onopvallend aan bakboord in het pikkedonker over de Maas. Na de Algerabrug kregen we eindelijk ons huis in zicht.

Het motortje werd een gedoe, wij haakten af. In de zomer van 2007 zouden H en ik echt kinderloos vakantie vieren. Ondanks goede adviezen over fietsvakanties, rondreizen met een tentje, slapen op een matje en het hopeloos ‘Ga toch kamperen, dat vinden jullie altijd zo leuk?’ mocht het niet baten. De jongens kozen beiden voor een weekje all dan niet inclusive ongeremd zuipen op respectievelijk de Appelhof en in Lloret de Mar. Na die week werd er tijdens onze afwezigheid van het huishoudgeld vrolijk verder vakantie gevierd in ons huis aan de IJssel. Dat heet ‘vertrouwen’ en ‘loslaten’.

Onze VW-bus met grijs kenteken was vanwege een nieuwe belastingregel verkocht. Wikken en wegen: in de ‘buurt’ blijven van de jongens, niet te ver, ‘onze’ tijd komt nog wel. ‘We zouden een boot kunnen huren…’ opperde H in juni, ‘zonder zeil natuurlijk.’ Het idee sprak mij aan water, Friesland, de Wadden. Huren bleek duur en met zeven weken vakantie niet handig zeker niet qua weer. Na speurwerk op marktplaats namen we een kredietje én deden we een bod op een uniek polyester motorbootje.

De Albin, een stoer wat vergeeld, zeewaardig kuipje van 6.30 m en flinke dieselmotor Kubota. Binnen een bed en een plee. Buiten koken en een koelen. Een dashbord met knoppen, een stuur een toeter en een enorme schijnwerper. Met twee handelingen maakte je van de cabrio met tentdoek de kuip overdekt. Ik deed de inrichting en waterkaarten H oefende het starten en sturen.

Tijdens het laatste technisch praatje van de verkoper ging het over de twee accu’s, ik had meegekeken en zei verrukt over het vernuftige zwarte doosje met daarop de getallen I en II: ‘Ja maar, dit is een echte BOTH.’

In een mooi scheepsjournaal schreven we alles op. We zwaaiden trots en opgewonden naar de jongens die ons uitzwaaiden en vervolgden de IJssel. De sluis bij Utrecht werden we door hoge golven gewoon ingesodejanust, H verloor bijna een hand, het motortje stond in z’n 1 en niet in z’n vrij.

In Muiden maakten we een top-10 van namen. Met de eerste twee, blauw en both, gingen we daarna nog even naar café Ome Ko. Om 2:00 uur ’s nachts waren we het unaniem eens, de doopnaam was BLAUW. In Ossenzijl sprong ik bij het aanleggen op de steiger, gleed uit, belandde met grote plons in V-vorm in het ondiepe hoge fain, kwam boven recht voor de drukke ingang van dé viswinkel. We dobberden en zwierven met vele andere bejaarden in plastic kuipjes via het IJsselmeer een groot rondje Nederland. Her zoute water lonkte. In groot en spannend water van de Oude Maas tussen binnenvaart en over hoge golven waren we echt heel klein. Op naar de Grevelingen en Ouddorp. De Oosterschelde haalden we niet maar ik was de koningin op het mooiste en kleinste motorbootje.

Het zwerven beviel, de jongens droogden goed op maar wij wilden meer, vrijer, verder. Een jaar later zaten wij in de La Strada alias box3. Totdat…H het surfen weer oppakte. Ik wilde ook wel op het water, maar iets met een zeil klmt er niet in. Het was ongepland maar na drie dagen zomervakantie, had de camper een reteduur maar sjiek rekje, H kreeg een strakke surf, zeil en rubber uitrusting in stemmig zwart en ik een geheel tegen mijn kleurprincipes in een felrood opblaasgeval van 3.20 meter. Mijn eigen SUP. Na 175 ferme slagen uit de handpomp en het monteren van 3 vinnetjes kun je het water op. Voordeel: op mijn plank kun je als flinke Hollandse op een volwassen manier en met lichte inspanning van de peddel simpel meedoen met de grote jongens en het waterspelen.

Wij passen elkaar en dus ook elkaars rubber maar ik dacht in eerste instantie meer aan glanzend bruin en fier in een stralende bikini. Dat je op een SUP liggend vacuüm zuigt en na een uur dobberen met geribbelde waterhanden en het schuine dropjes profiel voor de komende uren in je vel geprint er niet uit ziet, is soort van jammer. Maar staand en eenmaal vrijwel alleen op het heldere lel kun je de wens van het nagenoeg streeploze verkleuren prima uitoefenen.

Ik ben inmiddels gevorderd. De SUP doet regelmatig dienst als oesterplank. Daarbij, ik word er erg rustig van. Dobberen, peddelen, weer of geen weer en af en toe heel dichtbij een zeehond. Voor mij geen zeil. Water zonder sport.  Fun met een grote F, dat geldt dan weer voor ons allebei, both.

One thought on “both

  1. Kom, kom, niet zo huilen. Nee dan ik. 15 fucking lange jaren ben ik met een zeilboot ( lees 5,45 meter) door gans NL gevaren. De koeien op de wal liepen sneller dan dat wij voeren. Elke ochtend, bij het krieken ging mijn vader op de puts in de kajuit zitten kakken. Hij deed dat bij voorkeur binnen. Steevast vroeg hij aan ons kids tijdens het persen, ” willen jullie een pepermuntje?” Vervolgens een plons en een zucht, of andersom.
    Maar de vaarromantiek zat in de aderen en Deez huurde een BM- er 16 kwadraat. Daagje uit met vrienden, kabbelend over het Brielse meer. We voeren de haven van Den Briel uit en de zakken chips en kruikjes Matheus roze gingen al snel open. Het windje wakkerde aan, het beloofde een fijnen dag te worden. KLENGGG, ik kan vertellen dat een mast wanneer hij afbreekt in een typhusvaart op je dek klettert. Dat gaat zo snel dat het cortizol per direkt de gebieden angst schrik en paniek overslaat en direkt inwerkt op je lachspieren. Niemand dood, een wonder.
    Voor diegene die het interesseert wil ik tzt onze escapades met matras op Friese wateren beschrijven. Ik zie u graag

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s